
Op 24 juni 2026 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak over het bestemmingsplan “Legalisering Oude Strijdigheden (LOS)” van de gemeente Westland (ECLI:NL:RVS:2026:3659). Het bestemmingsplan bleef in stand, maar de uitspraak bevat twee belangrijke verduidelijkingen voor de praktijk van gebiedsontwikkeling in het glastuinbouwgebied. De uitspraak gaat met name over de mogelijkheden om voormalige bedrijfswoningen in het glastuinbouwgebied een woonbestemming te geven en over de juridische status van het zogenoemde Werkboek Westland.
Werkboek Westland: bevestigd als bruikbaar beoordelingskader
Het Werkboek Westland speelt al geruime tijd een rol bij ruimtelijke ontwikkelingen in het Westlandse glastuinbouwgebied. In eerdere jurisprudentie leek de juridische houdbaarheid van het instrument onder druk te staan. In een uitspraak over het bestemmingsplan Plattelandswoningen Westland uit mei 2026 oordeelde de rechtbank dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende was, waarbij het Werkboek een rol speelde in de beoordeling.
De Raad van State kwam in de uitspraak over het bestemmingsplan LOS-percelen echter tot een andere conclusie. Het Werkboek Westland kan worden gebruikt als referentiekader bij de beoordeling van milieueffecten en ruimtelijke aanvaardbaarheid van ontwikkelingen.
De Raad van State acht daarbij van belang dat:
- het Werkboek Westland voldoende is onderbouwd;
- de gehanteerde normen en uitgangspunten aanvaardbaar zijn;
- de methodiek in beginsel bruikbaar is in ruimtelijke besluitvorming.
Daarmee biedt de uitspraak belangrijke duidelijkheid: het Werkboek is niet terzijde geschoven, maar juist bevestigd als een toelaatbaar en bruikbaar beoordelingsinstrument.
Niet het instrument, maar de toepassing is doorslaggevend
De jurisprudentie laat tegelijkertijd zien dat het debat niet zozeer gaat over het Werkboek zelf, maar over de wijze waarop het wordt toegepast binnen een bestemmingsplan.
Een onvoldoende gemotiveerde toepassing kan nog steeds leiden tot vernietiging van een plan, ook als het gebruikte beoordelingskader op zichzelf aanvaardbaar is. De kwaliteit van de ruimtelijke onderbouwing blijft daarmee doorslaggevend.
10 meter of 50 meter in het glastuinbouwgebied?
Naast het oordeel over het Werkboek bevat de uitspraak nog een belangrijk aandachtspunt: de afstand tussen woningen en glastuinbouwbestemmingen.
De Raad van State bevestigt in de LOS-uitspraak dat een voormalige bedrijfswoning in het Westlandse glastuinbouwgebied onder omstandigheden een woonbestemming kan krijgen wanneer een afstand van 10 meter tot een glastuinbouwbestemming wordt aangehouden.
Dit lijkt op het eerste gezicht af te wijken van een eerdere uitspraak uit 2024 over het glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder. In die zaak werd juist een afstand van 50 meter noodzakelijk geacht om een woonbestemming te kunnen handhaven, vanwege het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Verklaring van het verschil: de planologische context
Het verschil in uitkomst zit niet in een wijziging van rechtspraak, maar in de inhoud van de bestemmingsplannen zelf.
Binnen de bestemming Agrarisch – Glastuinbouw in Westland zijn uitsluitend volwaardige glastuinbouwbedrijven toegestaan. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vindt daar plaats binnen de kas, waardoor een andere milieusituatie geldt.
In het glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder is binnen dezelfde bestemming ook openlucht-tuinbouw toegestaan. Daarbij kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Juist dat aspect leidde tot de conclusie dat een grotere afstand van 50 meter noodzakelijk was om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen.
Gebruik van het Werkboek Westland in de praktijk
De uitspraak over de LOS-percelen biedt daarmee twee belangrijke inzichten voor de praktijk van het omgevingsrecht.
Enerzijds wordt bevestigd dat het Werkboek Westland als beoordelingskader juridisch bruikbaar is, mits het zorgvuldig wordt toegepast en goed wordt gemotiveerd binnen het bestemmingsplan.
Anderzijds onderstrepen de uitspraken dat afstandsnormen niet los kunnen worden gezien van de planologische context. Niet de enkele afstand is bepalend, maar de vraag welke functies en gebruiksmogelijkheden het bestemmingsplan daadwerkelijk toestaat.
Voor gemeenten, ontwikkelaars en grondeigenaren betekent dit dat zowel de keuze van het beoordelingsinstrument als de onderliggende planregels van doorslaggevend belang zijn. Een zorgvuldige ruimtelijke onderbouwing blijft daarbij essentieel om juridische houdbaarheid te waarborgen.
Benieuwd hoe het we dit in uw situatie kunnen toepassen? Neem contact op




